Blog Silke Skrotzki

Waarom zou je kiezen voor mediation en hoe ziet een mediationtraject eruit?

Van 1 tot en met 5 november 2021, is het de Week van de Mediation. Daarmee wordt aandacht gevraagd voor mediation als middel voor conflictoplossing en om samen tot afspraken te komen.

De laatste jaren is het steeds normaler geworden voor stellen die uit elkaar gaan, om mediation in te zetten. Maar, waarom zou je kiezen voor mediation en hoe ziet een mediationtraject eruit?

Als jullie hebben besloten uit elkaar te gaan, maar ook als er een ander probleem speelt dat te maken heeft met de scheiding, bijvoorbeeld als discussie ontstaat over een lopende zorgregeling of de kosten van de kinderen, kan dit via mediation worden opgelost.

Je kiest voor mediation als je graag samen wil kijken of je tot afspraken kunt komen. Binnen mediation is er ruimte om te onderzoeken wat écht belangrijk is voor jullie en met welke afspraken jullie straks -na de echtscheiding- jullie nieuwe leven weer allebei goed kunnen oppakken. Met name bij familiezaken is het heel belangrijk dat ook na afloop van de mediation het onderlinge contact goed blijft. Vaak zijn er immers kinderen in het spel en die verdienen het dat hun ouders op een prettige manier met elkaar blijven omgaan.

Binnen mediation is er vaak meer mogelijk dan bij een rechter; je kunt namelijk voor een groot gedeelte zelf bepalen hoe je de verschillende onderdelen van de scheiding geregeld wil hebben, uiteraard binnen de juridische en fiscale kaders.

Zodra helder is wat jullie willen afspreken, maak ik een ouderschapsplan en een echtscheidingsconvenant. Het verschil tussen deze twee is, dat er in een ouderschapsplan alleen zaken rondom de kinderen worden opgenomen (zoals de zorgregeling en de kosten van de kinderen) en in het echtscheidingsconvenant alleen zaken die jullie zelf betreft (zoals afspraken over partneralimentatie, de woning, al het te verdelen vermogen, hoe de fiscale zaken afgehandeld worden en wat er met het pensioen gaat gebeuren).

Zodra die beide documenten getekend zijn, kan de zaak worden afgehandeld. In geval van een echtscheiding betekent dit dat er een verzoek tot echtscheiding gedaan wordt bij de rechtbank.

Wat zijn nou de voordelen van mediation? Na mediation is de kans op een goede communicatie na afloop van de scheiding groter dan wanneer je ieder een eigen advocaat hebt ingeschakeld, want bij mediation ben je samen in overleg tot afspraken gekomen en die heb je ook nog eens helemaal passend gemaakt voor jullie situatie.

Daarnaast is mediation is vaak sneller dan het voeren van een procedure met ieder een eigen advocaat; jullie zijn bij de mediation immers degenen die het tempo bepalen en er hoeft geen rekening gehouden te worden met allerlei procesrechtelijke termijnen.

En tot slot is mediation vaak goedkoper; de kosten van de mediator deel je immers samen.

Omdat ik advocaat-mediator ben, neem ik mijn hele kennis en ervaring mee in de mediation. Dit is een grote meerwaarde, want dan weet je dat de echtscheiding ook echt goed geregeld is en je achteraf niet voor verrassingen komt te staan. En ik kan, omdat ik ook advocaat ben, voor jullie het echtscheidingsverzoek indienen bij de rechtbank. Daardoor kunnen jullie het hele traject bij één persoon doorlopen.

Mediation is dus een prima middel om samen de echtscheiding te regelen en het heeft een aantal voordelen ten opzichte van ieder een eigen advocaat inschakelen. Het is echter geen wondermiddel. Sommige cliënten denken dat er óf via mediation gescheiden moet worden óf dat je een vechtscheiding aan de hand hebt. Zo is het natuurlijk niet. Niet iedere echtscheiding is voor mediation geschikt, dus soms zul je wel ieder naar een eigen advocaat moeten gaan om beweging te krijgen in het proces. Bedenk daarbij dat de meeste familierechtadvocaten er zich van bewust dat zij ook een taak hebben in het de-escaleren van een situatie en dat er ook -met ieder een eigen advocaat aan je zijde- ruimte is voor overleg.

Mocht je in een situatie zitten waarbij jullie hebben besloten uit elkaar te gaan en dit graag samen aan tafel willen regelen, bij een deskundige mediator? Of mocht je nog vragen hebben, neem dan contact met ons op.

Praktijk in Beeld – Week van de Mediation

Vanaf nu brengen we regelmatig onze ”Praktijk in Beeld”.

Van 1 tot 5 november a.s. is het De Week van de Mediation. Mr. Silke Skrotzki vertelt u alvast iets meer over mediation binnen familiezaken.

Update: partneralimentatie en samenwoning

Hoe bewijst u dat uw ex samenwoont?

U betaalt partneralimentatie aan uw ex-partner, maar u heeft het vermoeden dat hij of zij weer is gaan samenwonen met een nieuwe partner. Uw ex-partner ontkent dit. En dat gevoel wringt. Zeker omdat u weet dat als hij of zij daadwerkelijk weer samenwoont, u geen partneralimentatie meer hoeft te betalen.

Op 7 oktober 2019 wijdden we voor het laatst een blog aan dit onderwerp (link). Daarin omschreven we al hoe lastig het is om te bewijzen dat uw ex-partner samenwoont zeker als ze ieder nog hun eigen woning aanhouden. In veel gevallen zal uw ex-partner ontkennen samen te wonen. In dat geval ligt de bewijslast op u als alimentatiebetaler. Vanwege de vergaande gevolgen van de samenleving (de partneralimentatie stopt per direct en kan nooit meer herleven) legt de rechter de lat voor dat bewijs hoog.

Sinds mijn vorige blog is in de rechtspraak weer veel geprocedeerd over het ‘samenwonen als ware  gehuwd’. Als je deze uitspraken naast elkaar legt, is hier een duidelijke lijn in te herkennen. In deze blog leg ik uit met welke omstandigheden een rechter rekening houdt, zodat u een beter beeld heeft van welk bewijs u zult moeten verzamelen als u wilt aantonen dat uw ex-partner samenwoont.

De vereisten waaraan de rechtbank toetst

Allereerst ter herinnering de vereisten die de rechtbank toetst om te beoordelen of er sprake is van samenwoning:

(1) Uw ex-partner heeft een affectieve relatie (een nieuwe vriend of vriendin);
(2) Ze wonen duurzaam samen;
(3) Hij of zij voert een gemeenschappelijke huishouding en/of er is sprake van wederzijdse verzorging (de rechtbank legt dit uit als ‘hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding (financiële verstrengeling) hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien’)

1. Uw ex-partner heeft een affectieve relatie

U zult hard moeten kunnen maken dat uw ex-partner en zijn/haar nieuwe partner zich naar buiten toe presenteren als liefdeskoppel. Dat houdt in dat zij (bijvoorbeeld) samen naar feestjes gaan, familiaire aangelegenheden gezamenlijk bijwonen ofwel samen op vakantie gaan. Dit is onder andere terug te lezen onder punt 2.8 van de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2021 (link).

Dit eerste vereiste staat vaak niet ter discussie en levert in de praktijk de minste problemen op. Of er sprake is van een affectieve relatie is in de meeste gevallen wel duidelijk en zal door de ex-partner doorgaans niet worden ontkend.

2. Er is sprake van duurzame samenwoning

Vervolgens moet worden aangetoond dat er sprake is van duurzame samenwoning. Het mag dus niet slechts gaan om een tijdelijke situatie (bijvoorbeeld tijdens een verhuizing/verbouwing of gedurende een quarantaineperiode).

Dat uw ex-partner en zijn/haar nieuwe partner veel tijd met elkaar doorbrengen en regelmatig bij elkaar overnachten is niet voldoende om aan het vereiste van de samenwoning te voldoen (link). Ook als zij dagelijks tijd met elkaar doorbrengen maar nooit samen overnachten, is er van samenwoning niet automatisch sprake (link). Er zullen aanvullende omstandigheden moeten worden aangevoerd voordat de rechtbank aanneemt dat er sprake is van duurzame samenwoning.

Voor die aanvullende omstandigheden zou u kunnen denken aan een combinatie van:

  • inschrijving op hetzelfde adres;
  • kleding laten liggen bij de ander (hetgeen bijvoorbeeld kan worden aangetoond indien hij/zij bij aankomst en vertrek uit de woning van de partner andere kleding aanheeft, terwijl ze nooit koffers of weekendtassen mee naar binnen neemt);
  • de samenwoners beschikken over de sleutel van de woning van de ander;
  • hij/zij vertrekt vanuit de woning van de partner naar het werk en keert daar na het werk ook weer terug;
  • ze ondernemen samen activiteiten, brengen feestdagen en vakanties samen door, of gaan samen naar sociale activiteiten van elkaars kinderen (sportwedstrijden, prijsuitreikingen, activiteiten op school);
  • samenwoners hebben bij beide woningen ieder een eigen fiets staan;
  • verblijf in de woning van de partner wanneer deze niet thuis is;
  • de samenwoners helpen elkaar met klussen, tuinieren, onderhoud en huishoudelijke taken, zij doen bijvoorbeeld samen boodschappen of doen aankopen voor de woning samen.

Bovengenoemde omstandigheden blijken onder andere uit de uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2021 (link) en 18 mei 2021 (link).

Van belang is om zo veel mogelijk bewijs te verzamelen waaruit blijkt dat uw ex-partner en zijn/haar nieuwe partner veel samen zijn én onder welke omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld door middel van social media berichten en whatsapp-gesprekken, maar is veel makkelijker aan te tonen door middel van een rechercheonderzoek.

3. Ze voeren een gemeenschappelijke huishouding en/of er is sprake van wederzijdse verzorging

Dit laatste vereiste is doorgaans het struikelblok. Als buitenstaander is het immers lastig te bewijzen of er sprake is van financiële verstrengeling (bijdragen in elkaars kosten) of wederzijdse verzorging. U hebt als derde immers geen toegang tot de rekeningen van uw ex-partner, waardoor het lastig wordt om te bewijzen dat kosten worden gedeeld.

U kunt het echter wél aannemelijk maken. Als u voldoende omstandigheden aanvoert (en waar mogelijk bewijst) waardoor u aannemelijk kunt maken dat er sprake van is, is het vervolgens aan uw ex-partner om dit tegen te spreken en te bewijzen.

In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 mei 2021 (link) oordeelde het Hof dat de alimentatieplichtige door het aanvoeren van een aantal omstandigheden voldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van financiële verstrengeling/wederzijdse verzorging. Daarbij waren de navolgende omstandigheden aangevoerd:

  • De ex-partner en haar partner maken gebruik van elkaars woning;
  • Ze eten bij elkaar en blijven bij elkaar slapen;
  • Ze doen gezamenlijk de boodschappen (in één auto);
  • Ze blijven achter in elkaars woning terwijl de ander de deur uit is;
  • Ze passen op elkaars kinderen en/of gedragen zich naar buiten toe als gezin.

Het lag vervolgens op de weg van de alimentatiegerechtigde om inzicht te verschaffen in haar financiële situatie om aan te tonen dat ieder de eigen kosten draagt, zodat van financiële verstrengeling geen sprake is. In deze uitspraak heeft de alimentatiegerechtigde dat niet gedaan, zodat de partneralimentatie is beëindigd.

Het risico is wel dat uw ex-partner wél met rekeningafschriften over de brug komt, waarmee hij/zij kan aantonen dat de financiën strikt gescheiden worden gehouden en/of dat uitgaven steeds met elkaar worden verrekend. Daarmee wordt het een stuk lastiger om dit derde vereiste te onderbouwen. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde op 27 mei 2021 immers dat in dat geval niet gesproken kan worden van financiële verstrengeling, ook al wordt gebruik gemaakt van elkaars woning en nutsvoorzieningen (link).

Het nut van het inschakelen van een recherchebureau

Hoewel het zeker mogelijk is om zonder rechercheonderzoek te bewijzen dat er sprake is van samenwoning (bijvoorbeeld door middel van social media en/of whatsapp-communicatie), is ons advies doorgaans om toch een recherchebureau in te schakelen. Uit de observaties die een rechercheur doet, kunt u al veel conclusies trekken en mogelijk een groot aantal van bovengenoemde omstandigheden/vereisten onderbouwen.

Indien uiteindelijk vast komt te staan dat er inderdaad sprake is van samenwoning, maar uw ex-partner heeft dit altijd ontkend, dan zou de rechtbank kunnen bepalen dat uw ex-partner deze kosten aan u dient te vergoeden.

We helpen u graag

Heeft u het vermoeden dat uw ex-partner samenwoont en vraagt u zich af of het in uw situatie al haalbaar is om de kwestie aan te kaarten? We helpen u graag!

U bent van harte welkom voor een adviesgesprek met één van onze advocaten.

Dag van de scheiding

Morgen is het de nationale ‘Dag van de Scheiding’. Deze dag is altijd de tweede vrijdag van september vanwege de eerste Nederlandse echtscheiding in september van 1796 tussen de heer Meers en mevrouw Lenaerts.

Hoewel de eerste scheiding dus al 225 jaar geleden plaatsvond, was het tot vijftig jaar geleden nog steeds zeer ongebruikelijk om van je echtgenoot te scheiden. Dat kwam doordat de wet tot dat moment weinig ruimte bood om het huwelijk ongedaan te maken. Een aanpassing van het Burgerlijk Wetboek heeft daar pas in 1971 verandering in gebracht. Vanaf toen kwam er een algemene grond om van je echtgenoot te scheiden; de zogeheten ‘duurzame ontwrichting’. Dit betekent dat als het simpelweg niet meer lukt om met je partner samen te blijven – om wat voor reden dan ook – dit genoeg reden is om aan de rechter te vragen de echtscheiding uit te spreken. Van deze uitgebreidere mogelijkheid is sindsdien ook veelvuldig gebruik gemaakt, zoals blijkt uit het groeiende aantal echtscheidingen sindsdien. Volgens het CBS scheidden voor de wijziging van de wet (1970) ongeveer 10.000 stellen per jaar, tegenover ruim 30.000 scheidingen per jaar in 2019.

Het is dan ook niet vreemd dat er steeds meer aandacht komt voor de noodzaak van goede, professionele begeleiding bij echtscheidingen, waar op de Dag van de Scheiding nog eens extra bij wordt stilgestaan. Wij kunnen als geen ander onderschrijven dat de juiste begeleiding tijdens het scheidingsproces het verschil kan maken. We hebben daarom niet alleen de kennis en kunde om u bij de juridische en fiscale aspecten van de echtscheiding te begeleiden, maar wij hebben ook oog voor de persoonlijke complexiteit die erbij komt kijken. Als scheiders door een professional op een krachtige manier door het proces heen worden genomen, neemt dit een groot deel van de onrust weg. Daar zijn wij van overtuigd. Wij kiezen daarom voor een persoonlijke aanpak en zien dagelijks bij onze cliënten dat dit hen de ruimte biedt om de toekomst weer met vertrouwen tegemoet te zien.

Bent u op zoek naar hulp of advies op het gebied van familie- of erfrecht en wilt u uw zaak met een gerust hart ergens neerleggen? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen. Wij zijn bereikbaar via tel nummer 0475 747238 of per mail info@sbc-advocaten.nl.

Berekening kinderalimentatie op basis van werkelijke woonlast of forfaitair (vastgesteld) bedrag?

 

Het is wettelijk vastgesteld dat iedere ouder verplicht is om naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen. Wat ‘draagkracht’ is, is in de wet niet verder omschreven. Aan dat begrip en hoe die draagkracht berekend moet worden is verder invulling gegeven door richtlijnen, opgesteld door de Expertgroep Alimentatie. Dit worden de Trema-normen genoemd.

Forfaitair systeem sinds 2013

Sinds 2013 is er vanuit deze Expertgroep gekozen voor een eenvoudig systeem voor de berekening van kinderalimentatie. In dit systeem hoeven er zo min mogelijk variabelen te worden gebruikt door middel van het toepassen van forfaitaire (vastgestelde) bedragen. De gedachte hierachter was dat er dan minder discussie zou kunnen ontstaan over de hoogte van de te betalen kinderalimentatie en er minder ruimte is om af te wijken, wat dan de rechtszekerheid en voorspelbaarheid ten goede komt.

Als de werkelijke last afwijkt van het forfaitaire bedrag, zal daar in beginsel geen rekening mee worden gehouden en dien je dat zelf op te vangen (met name als je werkelijke last hoger is).

Eén van die vastgestelde bedragen waarmee gerekend wordt, is de woonlast. Concreet houdt dit in dat er rekening wordt gehouden met een bedrag ter grootte van 30% van het netto besteedbaar inkomen als woonlast. Er wordt dus niet gekeken naar de werkelijke woonlast (huur of hypotheeklast).

Maar wat als er te weinig draagkracht is?

In sommige gevallen kan dit heel vervelend uitpakken voor de ouder die kinderalimentatie gaat ontvangen en dus ook voor de kinderen. Namelijk als vaststaat dat iemand een heel lage woonlast heeft, maar door toepassing van de hogere forfaitaire woonlast er te weinig draagkracht is om (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen te voorzien.

In de rechtspraak zijn er in de afgelopen jaren wel uitspraken gedaan waarin onder bepaalde omstandigheden is afgeweken van de forfaitaire rekenwijze. De Hoge Raad heeft zich echter onlangs ook uitgelaten over de vraag wanneer nu wel de forfaitaire lijn gevolgd moet worden en wanneer daarvan mag worden afgeweken. Het komt op het volgende neer: indien met een berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien én er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag, zal de rechter dienen na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, dient de rechter ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.

Aan de hand van een fictief voorbeeld ziet dit er als volgt uit;

Henk en Mariska gaan uit elkaar. Zij hebben twee kinderen, die het merendeel van de tijd bij Mariska zullen verblijven. Henk koopt een woning en betaalt daarvoor € 900,00 per maand aan netto woonlasten.

Voor de kinderalimentatie wordt een berekening gemaakt. Op basis van het inkomen van Henk wordt er in die berekening uitgegaan van een forfaitair bedrag aan woonlasten van € 1.200,00 per maand (30% van zijn netto inkomen).

Uit de berekening volgt echter dat met de daaruit volgende draagkracht niet (volledig) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien door Henk en Mariska samen. Als er gerekend zou worden met de werkelijke woonlast van Henk, zou er wél volledig in de behoefte van de kinderen voorzien kunnen worden. De rechter zal dus in dit geval óf de berekening moeten volgen met de werkelijke woonlast en de hogere draagkracht die daaruit volgt gebruiken om de kinderalimentatie vast te stellen óf moeten motiveren waarom die werkelijke woonlast gevolgd en hogere draagkracht niet wordt gebruikt.

Conclusie

In de basis blijft het forfaitaire stelsel uitgangspunt. Als echter de draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt berekend met de forfaitaire woonlast en er blijft onvoldoende draagkracht over om (geheel) in de behoefte van de kinderen te voorzien, zal de rechter moeten onderzoeken of dat voor de kinderen beter uitpakt (hogere kinderalimentatie) dan als men rekent met de werkelijke (lagere) woonlast. Als dit zo is, zal die hogere bijdrage vastgesteld moeten worden of moet de rechter motiveren waarom dat niet gebeurt.

Alimentatie berekenen is een vak apart; er moet met veel factoren rekening gehouden worden en er is veel rechtspraak die van invloed is op de manier waarop er gerekend moet worden. Heeft u een vraag over kinderalimentatie of iets anders betrekking hebbende op familie- of erfrecht, neem dan contact met ons op.

Divorce Dondedrag

Ik wil waar ik recht op heb

Ik wil waar ik recht op heb’

Dit is een uitspraak die ik regelmatig hoor in de praktijk. Maar, wat als je niet perse nodig hebt waar je recht op hebt? Wil je het dan toch krijgen?

Onlangs heb ik een echtscheiding begeleid waarbij de man een eigen onderneming had en een goed salaris. De vrouw had ook een redelijk salaris, maar een stuk lager dan dat van de man. Samen hadden ze twee kinderen. De man maakte zich veel zorgen over de vraag hoeveel partneralimentatie hij zou moeten gaan betalen.

Als snel had ik een eerste berekening gemaakt voor de kinder- en partneralimentatie. Daarbij maak ik ook altijd een bruto- netto berekening zodat beide partijen weten wat zij netto te besteden hebben na de scheiding, inclusief alimentatie en alle fiscale voordelen voor alleenstaande ouders.

De vrouw gaf aan dat ze het belangrijk vond dat één van hen in de gezamenlijke woning kon blijven wonen. Dit zou ze vooral voor de kinderen heel fijn vinden. De man kon de echtelijke woning wel overnemen op basis van zijn salaris, maar alleen als hij geen partneralimentatie hoefde te betalen. De vrouw wilde wel meer gaan werken, maar dat was dan weer alleen mogelijk als er een co-ouderschap zou komen.

De man heeft vervolgens zijn werk zo kunnen aanpassen dat co-ouderschap mogelijk was. De vrouw kon daardoor één dag per week meer gaan werken. Uit de berekening die ik maakte op basis van deze nieuwe situatie, bleek dat de vrouw met haar nieuwe salaris, de fiscale voordelen en de kinderalimentatie voldoende te besteden had om een nieuwe start te kunnen maken. Ze zou op basis van de Trema-normen eigenlijk nog recht hebben op een flink bedrag aan partneralimentatie. Ze gaf echter aan daar geen aanspraak op te willen maken; ze vond het belangrijk dat ze voor zichzelf kon zorgen en niet afhankelijk zou zijn van de man.

Dus, ondanks dat de vrouw wel recht had op partneralimentatie, koos ze er bewust voor om daar afstand van te doen.

Beide partijen zien hun toekomst positief tegemoet en zijn blij dat ze hebben kunnen realiseren dat de kinderen verder kunnen opgroeien in de voor hen vertrouwde woning. Het contact tussen beide partijen verloopt nog steeds goed.

Uit deze casus blijkt dat, als je ergens ‘recht op hebt’, dat nog niet wil zeggen dat je daar ook aanspraak op moet maken. Wij zien steeds vaker dat met name vrouwen kiezen voor meer zelfstandigheid en minder financiële afhankelijkheid van de ex-partner. Dit is een ontwikkeling die ook aansluit bij de recente wetswijziging, waarbij de termijn voor partneralimentatie verkort is van 12 naar 5 jaar, gebaseerd op de gedachte dat de financiële onafhankelijkheid van ex-partners bevordert zou moeten worden.

Ik stimuleer mijn cliënten op een positieve manier om de regie over hun eigen leven te nemen en niet te blijven hangen in de strijd met hun ex-partner. Dit sluit naadloos aan bij de manier waarop ik zelf in het leven sta.

Denk je erover om te gaan scheiden, vraag je je af waar je recht op hebt, maar wellicht ook wat andere mogelijkheden zijn, neem dan contact met mij op.

Waarom een samenlevingsovereenkomst zo belangrijk is

Het aantal ongehuwd samenwonenden is de laatste jaren toegenomen. Dat men (eerst) gaat trouwen is geen vanzelfsprekendheid meer. Maar het is niet verstandig om helemaal niets te regelen. Bepaalde rechten en plichten gelden immers niet voor samenwoners en bepaalde fiscale en erfrechtelijke gevolgen kunnen ongewenst intreden bij beëindiging van de relatie of overlijden. We zien het regelmatig gebeuren als we met cliënten aan tafel zitten, dat men niet op de hoogte is van de consequenties van het ‘niets geregeld hebben’. Maar dan is de relatie al geëindigd of de partner al overleden en is het lastig of zelfs onmogelijk om dit nog te herstellen.

Wilt u dit vóór zijn, dan is het raadzaam om naast een testament, een samenlevingsovereenkomst aan te gaan bij het begin van de samenwoning. De belangrijkste redenen:

  • Er kunnen duidelijke afspraken worden gemaakt over het betalen van gezamenlijke kosten (huishoudkosten) en over vergoedingsrechten, voor als één van de partners bijvoorbeeld eigen geld heeft geïnvesteerd in de gezamenlijke woning;
  • Jullie worden fiscaal partners en kunnen dan gezamenlijk aangifte voor de inkomstenbelasting doen, waarbij inkomsten en aftrekposten onderling verdeeld kunnen worden en een fiscaal zo gunstig mogelijke aangifte gedaan kan worden voor jullie beide;
  • Bij veel pensioenfondsen is het mogelijk om elkaar als partner aan te wijzen voor het partnerpensioen (ook wel nabestaandenpensioen) als er een samenlevingsovereenkomst is;
  • Je kunt afspraken maken over het verblijf in de woning als één van de partners komt te overlijden;
  • Er kan een fors bedrag aan erfbelasting bespaard worden.

De laatste twee redenen zullen hier nader toegelicht worden.

Verblijven in de woning na overlijden van één van de partners

Indien uw partner komt te overlijden en er is geen samenlevingsovereenkomst, dan kan dit vergaande gevolgen hebben. Als er geen testament is opgesteld, bent u geen erfgenaam van uw partner. Als uw partner komt te overlijden en u heeft samen een koopwoning, worden de erfgenamen van uw partner dus samen met u eigenaar van jullie huis en de gezamenlijke inboedel. Vaak zijn dit de ouders van uw partner. Uw ‘schoonfamilie’ kan er dan voor zorgen dat u uw woning moet verlaten.

Als u deze situatie wilt voorkomen en uw partner verzorgd achter wilt laten, kan er in de samenlevingsovereenkomst een zogenaamd ‘verblijvingsbeding’ worden opgenomen. Dit houdt in dat de achtergebleven partner in het huis mag blijven wonen en de gezamenlijke goederen bij de langstlevende partner mogen blijven.

Let wel: een samenlevingsovereenkomst met verblijvingsbeding is niet hetzelfde als een testament. Zonder testament is de langstlevende partner namelijk geen erfgenaam. Wilt u dat uw partner ook erfgenaam wordt dan adviseren wij om naast een samenlevingsovereenkomst ook een testament te laten opmaken.

Erfbelasting

Ten aanzien van de erfbelasting kan het niet hebben van een samenlevingsovereenkomst u duur komen te staan. Heeft u wél een testament waarin uw partner als erfgenaam is aangewezen, maar is er geen samenlevingsovereenkomst, dan wordt uw partner door de fiscus als ‘overige erfgenaam’ aangemerkt. Dat wil zeggen dat er een vrijstelling geldt van slechts € 2.244,00. Over alles wat er meer aan erfenis ontvangen wordt, dient u 30-40% erfbelasting te betalen.

Indien er naast het testament wel een samenlevingsovereenkomst is aangegaan, heeft de achtergebleven partner recht op de vrijstelling voor gehuwden. Dat is een bedrag van € 671.910,00. Over dit bedrag hoeft dus geen belasting te worden voldaan. Erft u meer dan € 671.910,00 dan dient u over het meerdere 10-20% belasting te betalen.

Op bovenstaande is één uitzondering; ook zonder samenlevingsovereenkomst heeft u recht op de vrijstelling voor gehuwden, namelijk na een onafgebroken samenwoning van vijf jaar.

Conclusie

Ook bij ongehuwd samenwonen dient er iets geregeld te worden. Wij adviseren u om een testament en samenlevingsovereenkomst te laten opstellen, zodat u bij een eventuele beëindiging van de relatie of het overlijden van één van de partners niet met ongewenste situaties geconfronteerd wordt. Over de inhoud dient u zich goed te laten adviseren door uw notaris en zal toegespitst moeten worden op jullie specifieke situatie en wensen.

Voor meer informatie over familie- of erfrecht of vragen over uw specifieke situatie kunt u altijd vrijblijvend contact met ons opnemen.

Co-ouderschap en kinderalimentatie

Fabel: bij co-ouderschap geen kinderalimentatie

Co-ouderschap

Gaan u en uw partner uit elkaar, dan zullen er afspraken gemaakt moeten worden ten aanzien van de kinderen. Op welk adres zij ingeschreven worden en wanneer zij bij welke ouder verblijven. Eén van de mogelijkheden is co-ouderschap, wat inhoudt dat de kinderen ongeveer evenveel tijd bij iedere ouder doorbrengen en dat de zorg- en opvoedtaken gelijkmatig worden verdeeld.

Vaak wordt gedacht dat er bij co-ouderschap geen kinderalimentatie betaald hoeft te worden. Dat is echter een fabel! Ook in het geval van co-ouderschap kan het zijn dat de ouder met het hoogste inkomen kinderalimentatie moet betalen aan de andere ouder. Hoe dat precies zit, leggen we u in deze blog uit.

Gelijke levensstandaard in beide huishoudens

Bij de berekening van kinderalimentatie is het uitgangspunt dat de situatie voor de kinderen zo min mogelijk verandert na de breuk tussen hun ouders. Dat betekent ook dat er in beide huishoudens genoeg financiële ruimte moet zijn om de kinderen die gelijke levensstandaard te kunnen bieden. Daarvoor heeft de ene ouder vaak de hulp nodig van de andere ouder, in de vorm van kinderalimentatie.

Hoe hoog de kinderalimentatie is, hangt uiteraard af van de situatie. Niet enkel het inkomen van beide ouders is daarvoor van belang, maar bijvoorbeeld ook de afspraken over hoe de kosten van de kinderen worden verdeeld. Beide ouders voldoen al de verblijfskosten van de kinderen wanneer zij bij hen verblijven (kosten van inwoning zoals eten, drinken en energiekosten) zodat daar genoeg budget voor zal moeten zijn. Daarnaast is ook van belang op welke wijze de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen (zoals kleding, schoolgeld, sportcontributies) worden voldaan.

Alle kosten van de kinderen worden naar rato van het inkomen (de draagkracht) van beide ouders voldaan. Hierdoor kan het zijn dat de ene ouder een bijdrage aan de ander dient te voldoen.

U kunt er ook voor kiezen om een kindrekening (gezamenlijke bankrekening) te openen om alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen van te kunnen voldoen. Ook daarbij geldt dat de inleg op de rekening bij co-ouderschap niet altijd gelijk is, omdat de kosten naar rato van het inkomen (de draagkracht)  van beide ouders wordt voldaan.

Het is verstandig om voor de berekening van kinderalimentatie een specialist in te schakelen. Op die manier weet u zeker dat er een eerlijk bedrag wordt afgesproken en dat geen van partijen (of de kinderen) tekort wordt gedaan.

Bent u op zoek naar een specialist om u hierbij te helpen, of heeft u hulp en/of advies nodig ten aanzien van een familie- of erfrechtkwestie, neem dan contact met ons op via 0475-747 238 of via info@sbc-advocaten.nl.

toestemming vakantie tijdens corona

Op vakantie tijdens de corona-crisis, wat zegt de rechter?

Bent u van plan om in de herfstvakantie met uw kinderen naar het buitenland op vakantie te gaan, lees dan onderstaande blog.

Toestemming

Als u samen met uw ex-partner het gezag over uw kind heeft, en u wilt met uw kind op vakantie dan moet uw ex-partner hier toestemming voor geven. Wil uw ex-partner geen toestemming geven, dan kunt u de rechter vragen om (vervangende) toestemming om op vakantie te mogen gaan. De rechter zal beoordelen of de buitenlandse reis in het belang is van de kinderen.

Corona-crisis
Maar hoe zit het met deze (vervangende) toestemming in combinatie met de huidige corona-crisis? Wanneer geeft een rechter toestemming om op vakantie te gaan en wanneer niet? Er zijn de afgelopen maanden verschillende uitspraken gedaan.

Een aantal van deze uitspraken zullen we (kort) bespreken om meer inzicht te scheppen hoe in de rechtspraak met dergelijke situaties wordt omgegaan.

Rechtbank Rotterdam 13 juli 2020
Pleegouders willen met twee minderjarige kinderen op autovakantie naar Frankrijk, waar ouders bezwaar tegen hebben. De rechtbank verleent vervangende toestemming, doch met de voorwaarde dat het reisadvies voor Frankrijk groen of geel blijft. Bij oranje of rood wordt geen vervangende toestemming verleend.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2020
Moeder wil met haar minderjarige kind naar Indonesië voor familiebezoek, waarvoor oranje reisadvies geldt. Het Hof overweegt dat moeder aannemelijk had moeten maken dat het familiebezoek noodzakelijk was, hetgeen zij heeft nagelaten. Het familiebezoek had ook op een ander moment kunnen plaatsvinden. Bovendien is het risico te groot en kan de situatie te snel omslaan, in welk geval moeder met de minderjarige vast zou komen te zitten in Indonesië. Het verzoek van moeder wordt afgewezen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 juli 2020
Vader wil met zijn drie kinderen naar Portugal afreizen. Moeder had daar in eerste instantie toestemming voor verleend, doch wegens het corona-virus heeft zij deze toestemming op een later moment weer ingetrokken. In eerste aanleg is aan de man vervangende toestemming verleend (op dat moment gold nog geel reisadvies). Een dag later is voor de regio Lissabon het reisadvies aangepast naar oranje, met een quarantaine-advies bij terugkomst. Hoewel vader niet in oranje gebied met de kinderen zou verblijven, zou hij wel van/naar Lissabon vliegen, waardoor het Hof het verzoek van vader alsnog afwijst.

Rechtbank Overijssel 24 juli 2020
Vader verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen om met minderjarigen naar Curaçao te mogen reizen onder begeleiding van de KLM. De rechtbank wijst dat verzoek toe. Voor Curaçao geldt geen negatief reisadvies en vliegen wordt als veilig bestempeld. Bovendien hebben de kinderen hun vader door de corona-crisis al meerdere maanden niet fysiek kunnen zien waardoor het van belang is dat de kinderen tijd met hem en hun halfbroertje kunnen doorbrengen.

Rechtbank Oost-Brabant 31 juli 2020
Vader wil met zijn drie kinderen tussen de 12 en 6 jaar met het vliegtuig naar zijn woonplaats in Zwitserland reizen. Voor Zwitserland gold geen negatief reisadvies. Moeder geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het verblijf in Zwitserland, maar wel met de reis per vliegtuig. Twee kinderen zijn astmatisch en behoren tot de risicogroep, wat te veel risico met zich mee zou brengen. De voorzieningenrechter sluit zich daarbij aan en hecht veel waarde aan het feit dat de kinderen hebben verklaard het eng te vinden om met het vliegtuig te reizen. Bovendien zou vader ook per auto naar Zwitserland kunnen reizen. Het verzoek van vader wordt afgewezen.

Rechtbank Den Haag 17 juli 2020
Vader wil met twee minderjarige kinderen op autovakantie naar Italië. Ondanks dat er geen negatief reisadvies geldt, wordt dit verzoek door de rechtbank afgewezen. Een van de kinderen valt door zijn overgewicht en verminderde conditie in de risicogroep waardoor de vakantie voor hem een onnodig risico zou zijn.

Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat in de rechtspraak over het algemeen de lijn wordt gevolgd dat bij groen en geel reisadvies wel vervangende toestemming wordt verleend, en bij oranje en rood niet. Daar zijn evenwel uitzonderingen op, bijvoorbeeld wegens verminderde gezondheid van het kind en/of vanwege de noodzakelijkheid van de reis.

Gaat u binnenkort – bijvoorbeeld in de herfstvakantie – met de kinderen op vakantie naar het buitenland? Dan raden we aan de vereiste toestemming tijdig te regelen zodat, als u er met uw ex-partner toch niet uit komt, er eventueel nog ruimte is om (alsnog) de gang naar de rechter te maken.

Heeft u daar hulp en/of advies bij nodig, of heeft u andere vragen met betrekking tot een familie- of erfrechtkwestie, dan kunt u contact opnemen via 0475-747 238 of via info@sbc-advocaten.nl.

Welke regels gelden er tussen ongehuwd samenwoners, die ook geen samenlevingsovereenkomst hebben?

Voorbeeldcasus: Remco en Chantal hebben een relatie met elkaar en besluiten te gaan samenwonen. Remco is eigenaar van de woning. Chantal besluit om bij Remco in te trekken. Er wordt geen samenlevingsovereenkomst aangegaan.

De samenwoning bevalt goed en Remco en Chantal besluiten om de woning te verbouwen. Remco heeft echter geen geld voor de verbouwing. Chantal heeft genoeg spaargeld en is bereid om de kosten voor de verbouwing te betalen. Zij investeert € 80.000,- van haar eigen geld in de woning van Remco.

De relatie blijkt niet goed te gaan en na een aantal jaar gaan Remco en Chantal uit elkaar. Chantal wil graag het geld dat zij in de woning van Remco heeft geïnvesteerd, terug ontvangen. Dit wordt het vergoedingsrecht genoemd. Heeft zij daar recht op?

Ongehuwd samenwonen

Recent heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan waarbij bovenstaande vraag wordt beantwoord. De Hoge Raad geeft aan dat er geen sprake is van een vergoedingsrecht op grond van de wet omdat:

  • de regels voor echtgenoten en geregistreerd partners niet van toepassing zijn;
  • de regels van de eenvoudige gemeenschap niet van toepassing zijn omdat Remco als enige eigenaar is van de woning;
  • er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat niet is aangetoond dat Remco de woning ook had verbouwd als Chantal geen geld had gehad voor de investering.

In bijzondere omstandigheden zou Chantal misschien een vergoedingsrecht kunnen hebben op grond van de redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad gaf in de aangehaalde uitspraak echter aan dat Chantal daarvoor te weinig had aangetoond.

De Hoge Raad heeft de vordering afgewezen en Chantal kan dus fluiten naar haar geld!

Tip: Wanneer u gaat samenwonen is het verstandig om een samenlevingsovereenkomst aan te gaan. In deze overeenkomst worden doorgaans afspraken gemaakt over vergoedingsrechten, zodat een situatie als deze voorkomen wordt.

Gehuwd of geregistreerd partnerschap:

Als Remco en Chantal gehuwd zouden zijn (of een geregistreerd partnerschap zouden hebben) dan zou Chantal op grond van artikel 1:87 BW een vergoedingsrecht op Remco hebben. Chantal heeft dan recht op vergoeding van het geld.

Gezamenlijke woning:

In de wet is ook een regeling opgenomen indien er sprake is van een zogenaamde eenvoudige gemeenschap (titel 7 boek 3 BW). Dat is het geval als er geen huwelijkse gemeenschap is, maar de woning wel gezamenlijk eigendom is. Dan is er sprake van een eenvoudige gemeenschap. In dat geval zou Chantal recht hebben gehad op vergoeding van het geld dat zij heeft geïnvesteerd.

Conclusie: investeer nooit geld in een woning waar u geen eigenaar van bent, zonder een samenlevingsovereenkomst aan te gaan. Twijfelt u over uw eigen situatie, neem dan contact met ons op, zodat we samen met u kunnen kijken wat de mogelijkheden zijn.