Blog Silke Skrotzki

Voor of tijdens het huwelijk alvast afzien van partneralimentatie?

Eén van de onderwerpen waar tijdens een echtscheiding afspraken over gemaakt moet worden, is de partneralimentatie. Heeft de ene echtgenoot behoefte aan alimentatie en kan de andere echtgenoot dit ook betalen (draagkracht) dan is die laatste op grond van de wet in principe verplicht om een bijdrage te betalen. Partijen kunnen daar ten tijde van de echtscheiding samen afwijkende afspraken over maken. Zo kunnen zij bijvoorbeeld afspreken dat zij over en weer afzien van het recht op partneralimentatie (nihilbeding).

Het komt wel eens voor dat aanstaande echtgenoten al vóór het huwelijk een dergelijk nihilbeding overeenkomen. Ze leggen dat dan vast in hun huwelijkse voorwaarden. Concreet houdt dat in dat zij afspreken dat -mocht het huwelijk ooit eindigen in een echtscheiding- er geen partneralimentatie betaald hoeft te worden. Hetzelfde geldt overigens ook voor geregistreerd partners, zij leggen dat dan vast in hun partnerschapsvoorwaarden.

In de rechtspraak werd er tot op heden vanuit gegaan dat zo’n nihilbeding in de huwelijkse voorwaarden in principe nietig (ongeldig) is. De wet zegt immers dat er een verplichting bestaat tot partneralimentatie. Daar kunnen partijen weliswaar van afwijken, maar slechts vóór of na de echtscheiding, zo staat in artikel 1:158 van het Burgerlijk Wetboek.

De Hoge Raad heeft in het verleden (1980 en 1996) uitgelegd wat de strekking van dit artikel is, namelijk dat er pas afspraken kunnen worden gemaakt over de partneralimentatie op het moment dat de echtscheiding aanstaande is, dus bijvoorbeeld in een echtscheidingsconvenant. Niet al op een eerder moment. Alleen in zéér uitzonderlijke gevallen kan een echtgenoot volgens de Hoge Raad aan een nihilbeding wat voor of tijdens het huwelijk is overeengekomen gehouden worden.

De afgelopen jaren is er in de literatuur een discussie ontstaan over de nietigheid van voorhuwelijkse nihilbedingen; sommige auteurs vinden dat een nihilbeding wat overeenkomen is voorafgaande of tijdens het huwelijk geldig zou moeten zijn. Daarom heeft de advocaat-generaal (A-G) p 13 mei jl. de Hoge Raad gevraagd om zich hierover uit te laten (cassatie in het belang der wet). De A-G schrijft in de conclusie dat partijen ook voorafgaand of tijdens het huwelijk de contractsvrijheid zouden moeten hebben om iets afwijkends af te spreken over de partneralimentatie, zoals zij immers ook kunnen doen over het pensioen en het huwelijksvermogensregime. Dat is volgens de A-G wat de wetgever ook voor ogen heeft gehad. Volgens de A-G heeft de rechter nog altijd de ruimte om -wanneer een van de echtgenoten zich daarop beroept en dit goed onderbouwt- het nihilbeding buiten beschouwing te laten wanneer de omstandigheden daarom vragen.

Het is nu aan de Hoge Raad om te reageren op de conclusie van de A-G. De uitspraak van de Hoge Raad wordt verwacht op 25 november 2022. Daarna zullen we weten of een nihilbeding in de huwelijkse voorwaarden tijdens de echtscheiding geldig is of niet. We houden u op de hoogte!

 

Heeft u er behoefte aan om eens te sparren over partneralimentatie die u betaalt of ontvangt? Of heeft u een andere vraag met betrekking tot een familie- of erfrechtkwestie, dan kunt u contact met ons opnemen. Wij zijn bereikbaar op 0475-747 238 of via info@sbc-advocaten.nl.

Praktijk in Beeld: Kinder- en Partneralimentatie

Deze keer in praktijk in beeld, praat advocaat-mediator Ellen van Bree u bij over de fiscale gevolgen van kinder- en partneralimentatie.

Blog Silke Skrotzki

Partneralimentatie: welke verplichtingen heeft degene die partneralimentatie ontvangt?

Bij een echtscheiding of de ontbinding van een geregistreerd partnerschap bestaat de mogelijkheid om een bijdrage in het levensonderhoud (partneralimentatie) af te spreken of te laten vaststellen door de rechter. Vaak is dit een moeilijk onderwerp, met name omdat de alimentatieplichtige (betaler) bang is voor een jarenlange betalingsverplichting zonder dat van de alimentatiegerechtigde (ontvanger) iets verwacht wordt. In de rechtspraak zien we echter steeds vaker dat er van de alimentatiegerechtigde wel degelijk iets verwacht wordt, namelijk een eigen verantwoordelijkheid om zoveel mogelijk in het eigen levensonderhoud te voorzien. In een recente uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 19 januari 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:51, R.O. 5.8) wordt bijvoorbeeld overwogen dat het hoofdregel is dat iedereen na echtscheiding in het eigen levensonderhoud moet voorzien.

In deze blog beantwoord ik de volgende vragen:

  • Heeft de alimentatiegerechtigde (ontvanger) een sollicitatieplicht of verplichting om een (hoger) eigen inkomen te genereren?
  • Kun je als alimentatieplichtige (betaler) de partneralimentatie laten beëindigen als de alimentatiegerechtigde (ontvanger) te weinig inspanningen verricht om (meer) te gaan verdienen?

 

Behoefte

De eerste vraag die gesteld wordt bij de vaststelling van partneralimentatie is hoe hoog de behoefte aan partneralimentatie is. Dit is afhankelijk van de huwelijksgerelateerde welstand, dus hoeveel men gewend was om tijdens het huwelijk besteedbaar te hebben. De rekensom is simpel gesteld als volgt: er wordt berekend wat het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk was en aan de hand daarvan wordt berekend hoeveel beide partijen na de scheiding nodig hebben om dezelfde welstand te kunnen voortzetten. In de meeste gevallen middels de Hof-norm: 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen, is de behoefte na scheiding. De partij die in deze 60% niet zelf kan voorzien, kan van de ander een bijdrage vragen.

 

Behoeftig en verdiencapaciteit

Als deze berekening is gemaakt, komt de volgende vraag aan bod, namelijk of en in hoeverre de alimentatiegerechtigde behoeftig is. Behoeftigheid gaat om de vraag of de alimentatiegerechtigde daadwerkelijk partneralimentatie nodig heeft of dat hij/zij wellicht zelf een (hoger) inkomen kan genereren om daarmee in zijn/haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het gaat hierbij om het inkomen dat de onderhoudsgerechtigde verdient of in redelijkheid zou kunnen verdienen, ook wel de ‘verdiencapaciteit’ genoemd.

In de eerder aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 19 januari 2022 wordt mooi verwoord wat behoeftigheid is:

Daaronder worden zowel de daadwerkelijke inkomsten als de in redelijkheid te verwerven inkomsten verstaan. Indien de vrouw geen inkomsten heeft, moet rekening worden gehouden met haar verdiencapaciteit. Daarbij zijn alle omstandigheden van belang, waaronder haar opleiding, haar werkervaring en de geboden tijd om werk te vinden. Zoals op de zitting bij het hof is besproken, is de hoofdregel dat na echtscheiding ieder in zijn of haar eigen levensonderhoud moet voorzien. Van een alimentatiegerechtigde mag dan ook worden verlangd dat hij of zij zich aantoonbaar inspant om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien. Indien de alimentatiegerechtigde over vermogen beschikt kan onder omstandigheden van de alimentatiegerechtigde verlangd worden dat degene zijn of haar vermogen geheel of gedeeltelijk aanwendt om in zijn/haar levensonderhoud te voorzien.”

Om te kunnen bepalen wat in juridische zin redelijk is, kijken we naar wat daarover in de rechtspraak allemaal overwogen is. Dus, hoe wordt er door rechters omgegaan met verdiencapaciteit en welke inspanningen wordt een alimentatiegerechtigde geacht te verrichten?

 

Inspanningsverplichting

In de wet is de inspanningsverplichting van een alimentatiegerechtigde opgenomen, namelijk wordt er in artikel 1:157 lid 1 BW gesproken over het toekennen van partneralimentatie ‘aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven.’

Wat een alimentatiegerechtigde in redelijkheid aan inkomen kan verwerven en of de alimentatiegerechtigde voldoende inspanningen heeft verricht om een (hoger) inkomen te genereren, wordt bepaald door de volgende omstandigheden:

  • In de eerste plaats is dit afhankelijk van de mate waarin iemand effectief heeft gesolliciteerd (solliciteren op passende functies, over lange periode en nabellen bij afwijzing).
  • Daarnaast wordt er gekeken of iemand iets heeft gedaan om zijn/haar kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren. Een voorbeeld van wat er wordt verstaan onder inspanningsverplichting in dit kader is terug te lezen in de uitspraak van 24 augustus 2021 van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2021:8158). Daarin werd geoordeeld dat de man die om partneralimentatie had gevraagd, niet had voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Dit omdat hij geen sollicitatietraining had gevolgd, geen jobcoach had ingeschakeld of zich had gemeld bij een uitzendbureau dat gespecialiseerd is in oudere werknemers. Het verzoek werd afgewezen.

 

Termijn om kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren en passend werk te vinden

Als een echtgenoot/echtgenote al jarenlang niet werkzaam is geweest, is dat geen reden om geen enkele verdiencapaciteit aan diegene toe te kennen of niet uit te gaan van een bepaalde toekomstige verdiencapaciteit. Afhankelijk van opleidingsniveau en werkervaring in het verleden, kan het zijn dat aan een alimentatiegerechtigde een termijn wordt gegeven (bijvoorbeeld één of twee jaar) waarbinnen hij/zij minimaal een bepaald inkomen moet kunnen gaan vergaren. Er wordt dan voor die termijn wel partneralimentatie toegekend, zodat de alimentatiegerechtigde de tijd en mogelijkheid krijgt om een opleiding te volgen of om passend werk te vinden. Maar na die termijn wordt dan gerekend met een fictieve verdiencapaciteit bij de berekening van de behoefte aan partneralimentatie. Dit kan dan tot gevolg hebben dat er nog een stukje aanvullende behoefte resteert, maar daardoor wordt de partneralimentatie wel al lager. Of iemand wordt geacht een dermate hoog inkomen te kunnen genereren dat daarmee volledig in zijn/haar eigen levensonderhoud kan worden voorzien.

 

Eigen verantwoordelijkheid

De vragen die ik in de inleiding van deze blog stelde, kunnen dus beide positief beantwoord worden. Natuurlijk zijn er omstandigheden om rekening mee te houden (jonge kinderen, weinig recente werkervaring of opleidingen, etc.) en ex-echtgenoten hebben ook na een scheiding een zorgplicht naar elkaar toe. Maar de eigen verantwoordelijkheid om in het eigen levensonderhoud te voorzien staat steeds meer voorop. Partneralimentatie wordt steeds meer gezien als een tijdelijk vangnet.

Verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven geeft kracht. In gesprekken met onze cliënten maken we dit bespreekbaar en kijken we wat er nodig is de komende jaren om toe te werken naar een situatie waarin ieder zijn eigen boontjes dopt. Uiteraard met oog voor de omstandigheden van ieder geval, want ook partneralimentatie blijft maatwerk; zowel in de hoogte van het bedrag als in de randvoorwaarden (denk onder andere aan een aangepaste termijn, een afbouwregeling, een niet-wijzigingsbeding met bepaalde voorwaarden).

 

Contact

Heeft u er behoefte aan om eens te sparren over de mogelijkheden wat betreft partneralimentatie? Dat kan zijn in een echtscheiding die nu aan de orde is, maar ook echtscheidingen die al langer geleden zijn uitgesproken en waarin nog een termijn van twaalf jaar geldt. Ook in die zaken kan kritisch gekeken worden naar de inspanningsverplichting van de alimentatiegerechtigde en de mogelijkheden om verandering te brengen in de bestaande situatie. Wij gaan graag met u in gesprek.

 

 

Proceskosten binnen het familierecht

U hebt een geschil met uw ex-partner en het lukt maar niet om samen tot afspraken te komen. Soms ontkomt u er niet aan om in dat geval een procedure op te starten. Een procedure opstarten kost geld, maar in een procedure betrokken worden kost ook geld. Voor wiens rekening komen deze kosten in familiezaken?

Procederen binnen het familierecht kan doorgaans niet zonder advocaat. Dit betekent dat u hoe dan ook kosten voor rechtsbijstand moet maken, in de vorm van honorarium (salaris van de advocaat). Daarnaast zult u in veel voorkomende gevallen griffierechten moeten betalen aan de rechtbank én moet er in sommige gevallen een deurwaarder worden ingeschakeld. Ook deze kosten zijn voor uw rekening.

De kosten van een procedure kunnen dus aardig oplopen. Ik krijg dan ook vaak de vraag of deze proceskosten verhaald kunnen worden op de wederpartij.

 

Proceskostenveroordeling algemeen

Binnen de meeste rechtsgebieden geldt als hoofdregel dat ‘de verliezer’ betaalt. Dat houdt in dat degene die (grotendeels) door de rechter in het ongelijk wordt gesteld, niet alleen zijn eigen proceskosten moet betalen maar óók de proceskosten van de andere partij. Binnen het familierecht ligt dat anders.

 

Proceskostenveroordeling in het familierecht

In het familierecht geldt als hoofdregel dat ieder zijn/haar eigen proceskosten betaalt, ongeacht wiens verzoek er wordt toegewezen. Dat geldt in procedures tussen (ex-)echtgenoten, geregistreerde partners of andere levensgezellen en familie. Dus óók als u de procedure wint, zijn alle gemaakte kosten voor uw eigen rekening. Uw ex-partner zal ook zijn/haar eigen kosten moeten betalen. De rechter noemt dat ook wel het ‘compenseren van de proceskosten’.

Hoofdregel compensatie proceskosten
Het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch heeft in 2012 (link) vrij helder uitgelegd waarom in het familierecht normaliter niet tot proceskostenveroordeling wordt overgegaan en dus de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Het komt er kortgezegd op neer dat procedures tussen ex-partners vaak samenhangen met persoonlijke en interrelationele moeilijkheden. Er spelen bij familierechtelijke procedures niet alleen juridische argumenten, maar ook emotionele belangen. Dat de ene partij ‘in het gelijk’ wordt gesteld betekent in het familierecht niet automatisch dat de andere partij ‘ongelijk’ heeft. Het gaat in veel zaken om een afweging van belangen. Het is dan niet redelijk dat de partij die in het ongelijk gesteld wordt alle proceskosten van de ander moet betalen.

Bovendien zullen de procespartijen in veel gevallen na de procedure nog samen door moeten, bijvoorbeeld als ouders van hun gezamenlijke kinderen. De rechter wil in zulke gevallen voorkomen dat de verhoudingen (nog meer) op scherp komen te staan. De hoofdregel is dus: ieder draagt zijn eigen proceskosten.

Uitzondering
Maar, iedere hoofdregel kent een uitzondering. Ook in familiezaken komt het –bij uitzondering– voor dat de ene partij de proceskosten van de andere partij  moet betalen. De rechter zal dat niet uit zichzelf doen, dus een proceskostenveroordeling moet wel expliciet aan de rechter worden gevraagd. Daarbij zal goed moeten worden onderbouwd waarom er sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat het onredelijk zou zijn dat beide partijen zijn/haar eigen proceskosten betalen.

Zoals het gerechtshof het omschreef zal er bijvoorbeeld ‘zeer evident sprake moeten zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij’. Ofwel, het was compleet onnodig om de procedure op te starten en het had overduidelijk moeten zijn voor degene die de procedure opstartte dat het verzoek geen kans van slagen had.

Ook de (proces)houding van een partij kan een reden zijn voor de rechter om diegene in de proceskosten van de ander te veroordelen.

 In mijn praktijk merk ik dat rechters steeds vaker geneigd zijn om een partij in de proceskosten te veroordelen, wanneer de situatie daarom vraagt.

 

Welke kosten worden vergoed

Wanneer de rechter ervoor kiest om één van de partijen in de proceskosten te veroordelen, zijn er met betrekking tot de advocaatkosten twee opties. Ofwel de werkelijke advocaatkosten worden vergoed, hetgeen betekent dat de feitelijk gemaakte kosten door de andere partij moeten worden vergoed. De tweede optie is dat de advocaatkosten worden vastgesteld op basis van het liquidatietarief.

In de praktijk sluiten rechters –zeker in het familierecht– eigenlijk altijd aan bij het liquidatietarief. Dit betekent dat het salaris van de advocaat wordt vastgesteld aan de hand van een gefixeerd bedrag. Dat tarief is doorgaans veel lager dan de kosten die u daadwerkelijk aan de advocaat hebt betaald. Dat houdt in dat u alsnog een gedeelte van de advocaatkosten zelf moet betalen. Het griffierecht en de eventuele kosten van de deurwaarder komen –in geval van een proceskostenveroordeling– vaak wel voor rekening van de andere partij.

 

Conclusie

In het familierecht is nog altijd de hoofdregel dat proceskosten worden gecompenseerd en dat de dus alle kosten voor ieders eigen rekening komen. Slechts in bijzondere gevallen kan de rechter daarvan afwijken.

 

Bent u betrokken bij een familie- of erfrechtkwestie en vraagt u zich af met welke kosten u rekening dient te houden, maar ook of deze op de ander verhaalt kunnen worden? Of heeft u een andere vraag met betrekking tot een familie- of erfrechtkwestie, dan kunt u contact opnemen voor advies.

Wij zijn bereikbaar op 0475-747 238 of via info@sbc-advocaten.nl.

Update: partneralimentatie en samenwoning

Hoe bewijst u dat uw ex samenwoont?

U betaalt partneralimentatie aan uw ex-partner, maar u heeft het vermoeden dat hij of zij weer is gaan samenwonen met een nieuwe partner. Uw ex-partner ontkent dit. En dat gevoel wringt. Zeker omdat u weet dat als hij of zij daadwerkelijk weer samenwoont, u geen partneralimentatie meer hoeft te betalen.

Op 7 oktober 2019 wijdden we voor het laatst een blog aan dit onderwerp (link). Daarin omschreven we al hoe lastig het is om te bewijzen dat uw ex-partner samenwoont zeker als ze ieder nog hun eigen woning aanhouden. In veel gevallen zal uw ex-partner ontkennen samen te wonen. In dat geval ligt de bewijslast op u als alimentatiebetaler. Vanwege de vergaande gevolgen van de samenleving (de partneralimentatie stopt per direct en kan nooit meer herleven) legt de rechter de lat voor dat bewijs hoog.

Sinds mijn vorige blog is in de rechtspraak weer veel geprocedeerd over het ‘samenwonen als ware  gehuwd’. Als je deze uitspraken naast elkaar legt, is hier een duidelijke lijn in te herkennen. In deze blog leg ik uit met welke omstandigheden een rechter rekening houdt, zodat u een beter beeld heeft van welk bewijs u zult moeten verzamelen als u wilt aantonen dat uw ex-partner samenwoont.

De vereisten waaraan de rechtbank toetst

Allereerst ter herinnering de vereisten die de rechtbank toetst om te beoordelen of er sprake is van samenwoning:

(1) Uw ex-partner heeft een affectieve relatie (een nieuwe vriend of vriendin);
(2) Ze wonen duurzaam samen;
(3) Hij of zij voert een gemeenschappelijke huishouding en/of er is sprake van wederzijdse verzorging (de rechtbank legt dit uit als ‘hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding (financiële verstrengeling) hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien’)

1. Uw ex-partner heeft een affectieve relatie

U zult hard moeten kunnen maken dat uw ex-partner en zijn/haar nieuwe partner zich naar buiten toe presenteren als liefdeskoppel. Dat houdt in dat zij (bijvoorbeeld) samen naar feestjes gaan, familiaire aangelegenheden gezamenlijk bijwonen ofwel samen op vakantie gaan. Dit is onder andere terug te lezen onder punt 2.8 van de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2021 (link).

Dit eerste vereiste staat vaak niet ter discussie en levert in de praktijk de minste problemen op. Of er sprake is van een affectieve relatie is in de meeste gevallen wel duidelijk en zal door de ex-partner doorgaans niet worden ontkend.

2. Er is sprake van duurzame samenwoning

Vervolgens moet worden aangetoond dat er sprake is van duurzame samenwoning. Het mag dus niet slechts gaan om een tijdelijke situatie (bijvoorbeeld tijdens een verhuizing/verbouwing of gedurende een quarantaineperiode).

Dat uw ex-partner en zijn/haar nieuwe partner veel tijd met elkaar doorbrengen en regelmatig bij elkaar overnachten is niet voldoende om aan het vereiste van de samenwoning te voldoen (link). Ook als zij dagelijks tijd met elkaar doorbrengen maar nooit samen overnachten, is er van samenwoning niet automatisch sprake (link). Er zullen aanvullende omstandigheden moeten worden aangevoerd voordat de rechtbank aanneemt dat er sprake is van duurzame samenwoning.

Voor die aanvullende omstandigheden zou u kunnen denken aan een combinatie van:

  • inschrijving op hetzelfde adres;
  • kleding laten liggen bij de ander (hetgeen bijvoorbeeld kan worden aangetoond indien hij/zij bij aankomst en vertrek uit de woning van de partner andere kleding aanheeft, terwijl ze nooit koffers of weekendtassen mee naar binnen neemt);
  • de samenwoners beschikken over de sleutel van de woning van de ander;
  • hij/zij vertrekt vanuit de woning van de partner naar het werk en keert daar na het werk ook weer terug;
  • ze ondernemen samen activiteiten, brengen feestdagen en vakanties samen door, of gaan samen naar sociale activiteiten van elkaars kinderen (sportwedstrijden, prijsuitreikingen, activiteiten op school);
  • samenwoners hebben bij beide woningen ieder een eigen fiets staan;
  • verblijf in de woning van de partner wanneer deze niet thuis is;
  • de samenwoners helpen elkaar met klussen, tuinieren, onderhoud en huishoudelijke taken, zij doen bijvoorbeeld samen boodschappen of doen aankopen voor de woning samen.

Bovengenoemde omstandigheden blijken onder andere uit de uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2021 (link) en 18 mei 2021 (link).

Van belang is om zo veel mogelijk bewijs te verzamelen waaruit blijkt dat uw ex-partner en zijn/haar nieuwe partner veel samen zijn én onder welke omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld door middel van social media berichten en whatsapp-gesprekken, maar is veel makkelijker aan te tonen door middel van een rechercheonderzoek.

3. Ze voeren een gemeenschappelijke huishouding en/of er is sprake van wederzijdse verzorging

Dit laatste vereiste is doorgaans het struikelblok. Als buitenstaander is het immers lastig te bewijzen of er sprake is van financiële verstrengeling (bijdragen in elkaars kosten) of wederzijdse verzorging. U hebt als derde immers geen toegang tot de rekeningen van uw ex-partner, waardoor het lastig wordt om te bewijzen dat kosten worden gedeeld.

U kunt het echter wél aannemelijk maken. Als u voldoende omstandigheden aanvoert (en waar mogelijk bewijst) waardoor u aannemelijk kunt maken dat er sprake van is, is het vervolgens aan uw ex-partner om dit tegen te spreken en te bewijzen.

In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 mei 2021 (link) oordeelde het Hof dat de alimentatieplichtige door het aanvoeren van een aantal omstandigheden voldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van financiële verstrengeling/wederzijdse verzorging. Daarbij waren de navolgende omstandigheden aangevoerd:

  • De ex-partner en haar partner maken gebruik van elkaars woning;
  • Ze eten bij elkaar en blijven bij elkaar slapen;
  • Ze doen gezamenlijk de boodschappen (in één auto);
  • Ze blijven achter in elkaars woning terwijl de ander de deur uit is;
  • Ze passen op elkaars kinderen en/of gedragen zich naar buiten toe als gezin.

Het lag vervolgens op de weg van de alimentatiegerechtigde om inzicht te verschaffen in haar financiële situatie om aan te tonen dat ieder de eigen kosten draagt, zodat van financiële verstrengeling geen sprake is. In deze uitspraak heeft de alimentatiegerechtigde dat niet gedaan, zodat de partneralimentatie is beëindigd.

Het risico is wel dat uw ex-partner wél met rekeningafschriften over de brug komt, waarmee hij/zij kan aantonen dat de financiën strikt gescheiden worden gehouden en/of dat uitgaven steeds met elkaar worden verrekend. Daarmee wordt het een stuk lastiger om dit derde vereiste te onderbouwen. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde op 27 mei 2021 immers dat in dat geval niet gesproken kan worden van financiële verstrengeling, ook al wordt gebruik gemaakt van elkaars woning en nutsvoorzieningen (link).

Het nut van het inschakelen van een recherchebureau

Hoewel het zeker mogelijk is om zonder rechercheonderzoek te bewijzen dat er sprake is van samenwoning (bijvoorbeeld door middel van social media en/of whatsapp-communicatie), is ons advies doorgaans om toch een recherchebureau in te schakelen. Uit de observaties die een rechercheur doet, kunt u al veel conclusies trekken en mogelijk een groot aantal van bovengenoemde omstandigheden/vereisten onderbouwen.

Indien uiteindelijk vast komt te staan dat er inderdaad sprake is van samenwoning, maar uw ex-partner heeft dit altijd ontkend, dan zou de rechtbank kunnen bepalen dat uw ex-partner deze kosten aan u dient te vergoeden.

We helpen u graag

Heeft u het vermoeden dat uw ex-partner samenwoont en vraagt u zich af of het in uw situatie al haalbaar is om de kwestie aan te kaarten? We helpen u graag!

U bent van harte welkom voor een adviesgesprek met één van onze advocaten.

Update: Inkomensafhankelijke combinatiekorting

Op 17 juli 2020 schreef Silke Skrotzki een blog over de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) (zie: link) naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad van maart vorig jaar. De Hoge Raad oordeelde destijds dat soepeler moet worden gekeken of een ouder recht heeft op toepassing van de IACK als een kind bij een ouder verblijft op basis van co-ouderschap maar niet bij die ouder staat ingeschreven.
Een jaar later blijkt hoe deze versoepeling in de praktijk door de rechter wordt toegepast en vonden wij het tijd voor een update over dit onderwerp.

Grenzen
Recentelijk heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch echter een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat aan die soepelere toepassing grenzen zitten. Het gerechtshof bepaalde dat de zorg niet iedere week gelijk verdeeld hoeft te worden, er mag gerekend worden met het gemiddelde aantal uren, maar het moet dan wel gaan om een duurzame verdeling.

Betreffende zaak bij het gerechtshof:
Een vader heeft met zijn ex-partner een kind. Middels een schema heeft vader aangetoond dat het kind 63 uur per week bij hem verblijft (iets meer dan 2,5 dag per week). Daarnaast zegt vader extra zorg voor het kind op zich te nemen tijdens vakanties, zodat hij daardoor gemiddeld 3 dagen per week de zorg voor het kind op zich neemt. Volgens vader dus voldoende om aanspraak te kunnen maken op de IACK.

De belastinginspecteur is van mening dat vader geen recht heeft op de IACK; daarvoor moet het minimaal 3 dagen per week (72 uur) duurzaam bij vader verblijven en dat redt vader niet.

Het gerechtshof is het met de belastinginspecteur eens. Het kind verblijft op basis van de reguliere regeling te weinig bij vader om te kunnen spreken van een duurzaam gelijke verdeling. Vader neemt weliswaar extra zorg op zich tijdens de vakanties, maar die extra uren vanwege de vakanties tellen niet mee omdat deze niet in een duurzaam ritme plaatsvinden.

Vader komt dus niet in aanmerking voor de IACK en loopt potentieel honderden euro’s per maand mis, waar in de alimentatieberekening mogelijkerwijs wél rekening mee is gehouden.

Conclusie
Bovenstaande laat nogmaals zien hoe belangrijk het is om goed stil te staan bij de reguliere zorgverdeling over de kinderen. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met de financiële gevolgen van een bepaalde regeling.

Heeft u daar hulp bij nodig en/of vragen over, of heeft u andere vragen met betrekking tot een familie- of erfrechtkwestie, dan kunt u contact opnemen voor advies. Wij zijn bereikbaar op 0475-747 238 of via info@sbc-advocaten.nl.

Berekening kinderalimentatie op basis van werkelijke woonlast of forfaitair (vastgesteld) bedrag?

 

Het is wettelijk vastgesteld dat iedere ouder verplicht is om naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen. Wat ‘draagkracht’ is, is in de wet niet verder omschreven. Aan dat begrip en hoe die draagkracht berekend moet worden is verder invulling gegeven door richtlijnen, opgesteld door de Expertgroep Alimentatie. Dit worden de Trema-normen genoemd.

Forfaitair systeem sinds 2013

Sinds 2013 is er vanuit deze Expertgroep gekozen voor een eenvoudig systeem voor de berekening van kinderalimentatie. In dit systeem hoeven er zo min mogelijk variabelen te worden gebruikt door middel van het toepassen van forfaitaire (vastgestelde) bedragen. De gedachte hierachter was dat er dan minder discussie zou kunnen ontstaan over de hoogte van de te betalen kinderalimentatie en er minder ruimte is om af te wijken, wat dan de rechtszekerheid en voorspelbaarheid ten goede komt.

Als de werkelijke last afwijkt van het forfaitaire bedrag, zal daar in beginsel geen rekening mee worden gehouden en dien je dat zelf op te vangen (met name als je werkelijke last hoger is).

Eén van die vastgestelde bedragen waarmee gerekend wordt, is de woonlast. Concreet houdt dit in dat er rekening wordt gehouden met een bedrag ter grootte van 30% van het netto besteedbaar inkomen als woonlast. Er wordt dus niet gekeken naar de werkelijke woonlast (huur of hypotheeklast).

Maar wat als er te weinig draagkracht is?

In sommige gevallen kan dit heel vervelend uitpakken voor de ouder die kinderalimentatie gaat ontvangen en dus ook voor de kinderen. Namelijk als vaststaat dat iemand een heel lage woonlast heeft, maar door toepassing van de hogere forfaitaire woonlast er te weinig draagkracht is om (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen te voorzien.

In de rechtspraak zijn er in de afgelopen jaren wel uitspraken gedaan waarin onder bepaalde omstandigheden is afgeweken van de forfaitaire rekenwijze. De Hoge Raad heeft zich echter onlangs ook uitgelaten over de vraag wanneer nu wel de forfaitaire lijn gevolgd moet worden en wanneer daarvan mag worden afgeweken. Het komt op het volgende neer: indien met een berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien én er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag, zal de rechter dienen na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, dient de rechter ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.

Aan de hand van een fictief voorbeeld ziet dit er als volgt uit;

Henk en Mariska gaan uit elkaar. Zij hebben twee kinderen, die het merendeel van de tijd bij Mariska zullen verblijven. Henk koopt een woning en betaalt daarvoor € 900,00 per maand aan netto woonlasten.

Voor de kinderalimentatie wordt een berekening gemaakt. Op basis van het inkomen van Henk wordt er in die berekening uitgegaan van een forfaitair bedrag aan woonlasten van € 1.200,00 per maand (30% van zijn netto inkomen).

Uit de berekening volgt echter dat met de daaruit volgende draagkracht niet (volledig) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien door Henk en Mariska samen. Als er gerekend zou worden met de werkelijke woonlast van Henk, zou er wél volledig in de behoefte van de kinderen voorzien kunnen worden. De rechter zal dus in dit geval óf de berekening moeten volgen met de werkelijke woonlast en de hogere draagkracht die daaruit volgt gebruiken om de kinderalimentatie vast te stellen óf moeten motiveren waarom die werkelijke woonlast gevolgd en hogere draagkracht niet wordt gebruikt.

Conclusie

In de basis blijft het forfaitaire stelsel uitgangspunt. Als echter de draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt berekend met de forfaitaire woonlast en er blijft onvoldoende draagkracht over om (geheel) in de behoefte van de kinderen te voorzien, zal de rechter moeten onderzoeken of dat voor de kinderen beter uitpakt (hogere kinderalimentatie) dan als men rekent met de werkelijke (lagere) woonlast. Als dit zo is, zal die hogere bijdrage vastgesteld moeten worden of moet de rechter motiveren waarom dat niet gebeurt.

Alimentatie berekenen is een vak apart; er moet met veel factoren rekening gehouden worden en er is veel rechtspraak die van invloed is op de manier waarop er gerekend moet worden. Heeft u een vraag over kinderalimentatie of iets anders betrekking hebbende op familie- of erfrecht, neem dan contact met ons op.

Afkoop van partneralimentatie: waar moet u op letten en waarom kiezen voor afkoop?

Afkoop van partneralimentatie: waar moet u op letten en waarom kiezen voor afkoop?

Partneralimentatie wordt vaak gezien als een langslepende last die beide ex-partners nog met elkaar verbonden houdt. In veel gevallen is het afkopen van deze partneralimentatie een optie. Het heeft een aantal voor- maar ook een aantal nadelen. Zowel op persoonlijk en emotioneel vlak als in financieel en fiscaal opzicht.

Afkoop van alimentatie is alleen mogelijk bij partneralimentatie, dus niet bij kinderalimentatie. Die moet altijd betaald worden tot het kind 18 jaar is en vervolgens gaat dat over in een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud (tot een kind 21 jaar oud is).

Waar moet u op letten

Voor de ontvanger of alimentatiegerechtigde geldt dat een afkoopsom van partneralimentatie fiscaal wordt belast, net zoals ‘normale’ maandelijks te ontvangen partneralimentatie. Dat is dus in één jaar een groot bedrag aan inkomstenbelasting en premie ZVW waar rekening mee gehouden moet worden. Bovendien zal door de verhoging van het inkomen in het jaar van ontvangst, ook het verzamelinkomen toenemen en zal het recht op toeslagen (kindgebonden budget, kinderopvangtoeslag, huurtoeslag of zorgtoeslag) aanzienlijk lager worden of zelfs in zijn geheel komen te vervallen. Indien daarmee geen rekening wordt gehouden, kan het voorkomen dat er toeslagen terugbetaald moeten worden.

Aandachtspunt hierbij is dat ook het gedeelte van de afkoopsom dat op een andere manier dan via een geldelijke betaling wordt gezien als belaste partneralimentatie. Een voorbeeld hiervan is de overwaarde op de gezamenlijke woning die wordt gebruikt om een (gedeelte van de) afkoop te financieren.

Voor de betaler of alimentatieplichtige is de betaalde afkoopsom fiscaal aftrekbaar. Let erop dat de afkoopsom pas ná het inschrijven van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand aan de ex-echtgenoot betaald wordt. Gebeurt dit niet (dus te vroeg) dan kan dat tot gevolg hebben dat de afkoopsom wél belast is bij de alimentatiegerechtigde, maar niet aftrekbaar is voor de alimentatieplichtige.

Netto afkoop is mogelijk

De fiscale en financiële nadelen van een afkoopsom zijn grotendeels te voorkomen door in het jaar van ontbinding van het huwelijk te kiezen voor voljaarspartnerschap. Hiervoor moeten de ex-echtgenoten in het jaar van de scheiding als fiscale partners een gezamenlijke belastingaangifte doen. Simpel gezegd vallen dan de aftrekpost (voor de betaler) en de verschuldigde heffing (voor de ontvanger) tegen elkaar weg. Het eindresultaat is een netto afkoop.

Indien de alimentatieplichtige niet de mogelijkheid heeft om de afkoopsom van de partneralimentatie in één keer te voldoen, maar dat in termijnen wil doen, kan er toch gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid van een netto afkoop. De volledige afkoopsom wordt in het jaar van echtscheiding opgegeven en de ex-partners sluiten vervolgens over het deel dat de alimentatieplichtige nog verschuldigd is, een overeenkomst van geldlening.

Twee aandachtspunten bij de netto afkoop:

  • tot 2019 was het beschreven systeem relatief makkelijk uitvoerbaar. Vanaf 1 januari 2020 is echter de afbouw van fiscale aftrekbaarheid van de partneralimentatie in gang gezet, wat met name van toepassing is bij de betaler met een hoog inkomen (> € 68.500,00). De afbouw ziet er als volgt uit: 2020: 46%, 2021: 43%, 2022: 40%, 2023: 37,05%. Hierdoor krijgt men dus de situatie dat er wellicht minder aftrek genoten kan worden door de betaler dan dat er heffing moet worden voldaan door de ontvanger. Vanaf 2020 is het uitvoeren van een netto afkoop dus maatwerk en zal er goed berekend moeten worden wat het kost en wat het oplevert voor beide partijen;
  • de aftrek van de betaler die overgeheveld kan worden naar de ontvanger, waarmee deze de heffing over de partneralimentatie kan voldoen, betreft alleen het gedeelte van de inkomstenbelasting. Over de ontvangen partneralimentatie is daarnaast nog de bijdrage ZVW verschuldigd. Eventueel kan voor dat onderdeel nog een aanvullende afspraak worden gemaakt, om ook die heffing gelijk te verdelen over partijen.
Juiste begeleiding en zorgvuldige vastlegging van de afspraken

De afkoop van partneralimentatie dient goed begeleid te worden en dient daarnaast ook zorgvuldig te worden vastgelegd in het convenant. Dit om nadelige fiscale gevolgen te voorkomen en om zo goed mogelijk gebruik te kunnen maken van de fiscale mogelijkheden (netto afkoop).

Voor de afkoop van partneralimentatie is goede timing ook van belang. Het is daarom wenselijk dat u goed en tijdig geadviseerd wordt hierover. Deze mogelijkheid, zoals zoveel fiscale constructies in echtscheidingssituaties, kan alleen benut worden wanneer echtgenoten met elkaar in overleg zijn en dit samen overeenkomen. Een rechter kan bijvoorbeeld geen afkoopsom opleggen.

Wederom een voorbeeld waarom scheidingen die in goed overleg worden geregeld, middels mediation of overleg tussen gespecialiseerde familierechtadvocaten, financieel een groot voordeel hebben.

Waarom kiezen voor afkoop

Er zijn verschillende redenen te noemen om voor afkoop te kiezen. Het grote voordeel is dat de alimentatieplichtige in één keer van zijn of haar verplichting af is en hierdoor ook emotioneel minder verbonden is met de ex-partner.

Daar komt bij dat, doordat de alimentatiegerechtigde de alimentatie ineens ontvangt, deze in veel gevallen akkoord gaat met een bedrag dat lager is dan de volledige betalingsverplichting zou zijn (gekeken naar de wettelijke termijn van de alimentatieverplichting).

Uiteraard zijn er ook nadelen verbonden aan afkoop; als de alimentatiegerechtigde bijvoorbeeld al snel een nieuwe relatie krijgt en gaat samenwonen, dan kan het zijn dat er door afkoop achteraf gezien teveel betaald is. Want wettelijk gezien eindigt bij samenwoning de alimentatieverplichting per direct. Dit risico zal ingecalculeerd moeten worden in de overweging om van afkoop van partneralimentatie gebruik te maken.

Wilt u weten of het afkopen van partneralimentatie voor u tot de mogelijkheden behoort en hoe dat er dan uit zou komen te zien? Neem vrijblijvend contact met ons op. Wij begeleiden u hier graag bij.

De kindrekening bij co-ouderschap

Co-ouderschap en kinderalimentatie

Fabel: bij co-ouderschap geen kinderalimentatie

Co-ouderschap

Gaan u en uw partner uit elkaar, dan zullen er afspraken gemaakt moeten worden ten aanzien van de kinderen. Op welk adres zij ingeschreven worden en wanneer zij bij welke ouder verblijven. Eén van de mogelijkheden is co-ouderschap, wat inhoudt dat de kinderen ongeveer evenveel tijd bij iedere ouder doorbrengen en dat de zorg- en opvoedtaken gelijkmatig worden verdeeld.

Vaak wordt gedacht dat er bij co-ouderschap geen kinderalimentatie betaald hoeft te worden. Dat is echter een fabel! Ook in het geval van co-ouderschap kan het zijn dat de ouder met het hoogste inkomen kinderalimentatie moet betalen aan de andere ouder. Hoe dat precies zit, leggen we u in deze blog uit.

Gelijke levensstandaard in beide huishoudens

Bij de berekening van kinderalimentatie is het uitgangspunt dat de situatie voor de kinderen zo min mogelijk verandert na de breuk tussen hun ouders. Dat betekent ook dat er in beide huishoudens genoeg financiële ruimte moet zijn om de kinderen die gelijke levensstandaard te kunnen bieden. Daarvoor heeft de ene ouder vaak de hulp nodig van de andere ouder, in de vorm van kinderalimentatie.

Hoe hoog de kinderalimentatie is, hangt uiteraard af van de situatie. Niet enkel het inkomen van beide ouders is daarvoor van belang, maar bijvoorbeeld ook de afspraken over hoe de kosten van de kinderen worden verdeeld. Beide ouders voldoen al de verblijfskosten van de kinderen wanneer zij bij hen verblijven (kosten van inwoning zoals eten, drinken en energiekosten) zodat daar genoeg budget voor zal moeten zijn. Daarnaast is ook van belang op welke wijze de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen (zoals kleding, schoolgeld, sportcontributies) worden voldaan.

Alle kosten van de kinderen worden naar rato van het inkomen (de draagkracht) van beide ouders voldaan. Hierdoor kan het zijn dat de ene ouder een bijdrage aan de ander dient te voldoen.

U kunt er ook voor kiezen om een kindrekening (gezamenlijke bankrekening) te openen om alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen van te kunnen voldoen. Ook daarbij geldt dat de inleg op de rekening bij co-ouderschap niet altijd gelijk is, omdat de kosten naar rato van het inkomen (de draagkracht)  van beide ouders wordt voldaan.

Het is verstandig om voor de berekening van kinderalimentatie een specialist in te schakelen. Op die manier weet u zeker dat er een eerlijk bedrag wordt afgesproken en dat geen van partijen (of de kinderen) tekort wordt gedaan.

Bent u op zoek naar een specialist om u hierbij te helpen, of heeft u hulp en/of advies nodig ten aanzien van een familie- of erfrechtkwestie, neem dan contact met ons op via 0475-747 238 of via info@sbc-advocaten.nl.